Snelle links:
  • 150jaar.hoek.be

  • klj.hoek.be

  • lg.hoek.be (Landelijke gilde)

  • kvlv.hoek.be

  • lrv.hoek.be

  • bin.hoek.be


  • 850 jaar Essen > Maria Gommeren

    Hier staan de wekelijkse inzendingen van Maria Gommeren, u wel bekend, zoals ze ook verschijnen in het weekblad ´de Echo´ .


    De Echo: 850 jaar Essen. 1.

    Een historische optocht.

    Acht en een halve eeuw geschiedenis van Essen…dat kan niet zomaar genegeerd worden. Hoe kan dat beter aan de bevolking worden getroond dan in een historische optocht die een beeld wil geven van de gebeurtenissen die Essen gemaakt hebben tot wat het nu is.
    Toen dat idee ter sprake kwam riep het gemengde gevoelens op. Een echte stoet in de 21e eeuw? Is dat niet voorbijgestreefd? Te oubollig? Wie komt daar nog naar kijken? En vooral, hoe begin je daaraan?
    Eens er een scenario was uitgeschreven kon de zoektocht naar gepaste verenigingen om een onderwerp uit te beelden beginnen. En verbazend snel waren alle items geadopteerd. Alle wijken, alle groepen, jong of oud hebben zich bereid verklaard om mee te werken en er op 6 september 2009 een feest van, voor en door de Essenaren van te maken.
    Onze geschiedenis is boeiend, vaak zo vanzelfsprekend!…. We komen dagelijks langs plaatsen, vaak niet wetende wat daar zich ooit heeft afgespeeld of waarom een straat een bepaalde naam draagt.
    Dat en nog veel meer gaat in de optocht getoond worden. De voorbereidingen zijn volop aan de gang, maar er is nog veel werk te doen eer de meer dan 40 groepen, waaronder enkele wagens met maquettes van gebouwen uit het verleden, Essen chronologisch kunnen uitbeelden.
    Wekelijks wordt u via een artikeltje in dit blad op de hoogte gehouden.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 2.

    Is Essen inderdaad 850 jaar?

    Waarschijnlijk niet.
    De gronden behoorden vermoedelijk eeuwenlang aan het Hertogdom Brabant. Na het overlijden van Arnoldus den Brabander, Heer van Breda, schonk zijn zoon Berner Van Rijsbergen in 1159 een deel van zijn erfenis - waaronder gronden in Essen en Kalmthout - aan de recent gestichte Norbertijnenabdij van Tongerlo. Hij deed dat “tot redding en zielenheil” van zijn voorouders.
    Vader Arnoldus gaf enkele jaren eerder, in 1146, al delen van Kalmthout aan diezelfde orde, en broer Arnulfus deed in 1157 hetzelfde met de kerken en zijn inkomsten van Nispen en Klein Zundert. In een document waarin deze gift door de paus werd bekrachtigd, is sprake van “Esschen cum molendino”, wat zoveel wil zeggen als Essen met een molen. Er moeten dus voor de tijd van de schenking wel degelijk inwoners zijn geweest.
    De heideachtige gronden brachten nauwelijks iets op, waardoor bewoning enkel mogelijk was op de hoger gelegen delen langs de vruchtbare beemden bij de beek. Dit werden "donken" genoemd. Namen als Essendonk en Horendonk herinneren daar nog aan.
    Bij recente opzoekingen in Nispen zijn resten gevonden uit de 9e en 10e eeuw. Het is niet ondenkbaar dat er meer zuidelijk langs de beek eveneens mensen woonden. Het driehoekige en hoger gelegen Heuvelplein met een drinkplaats en met een molen in de buurt, kan een ideale plek geweest zijn voor de eenvoudige boeren in hun lemen huisjes.
    Dit tafereel is te zien in de historische optocht.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 3.

    Oudste stuk van Essens Erfgoed?

    De abdij van Tongerlo heerste “over wind en water”. Dat wilde zeggen dat de bewoners van Essen verplicht waren hun graan te laten malen in de wind - of watermolen die eigendom was van de abdij. Daarbij moest een deel worden afgestaan als bron van inkomsten zowel voor de molenaar en de abdij.
    De watermolen, gelegen aan een meander van de beek de kleine Aa, werd overigens jarenlang verpacht aan de pastoor die op de nabij gelegen pastorij woonde.
    In 1564 besloot men een nieuwe molen te bouwen. De muren werden opgetrokken uit vlechtwerk en met leem en kalk bestreken. De dakbedekking was in riet. Het waterrad had een diameter van 1,65m. Aangezien de veenachtige ondergrond weinig stabiliteit bood moest er gebruik worden gemaakt van heipalen om op te bouwen.
    Bij graafwerken in 1993 door een gasmaatschappij stuitten de arbeiders op een laag boomstammen, en twee gepunte palen van ongeveer 1,5 m lengte waar vermoedelijk het bouwwerk uit 1564 op was gefundeerd.
    Jarenlang lagen de stukken hout in het Karrenmuseum. De feestelijkheden rond 850 jaar Essen zijn ideaal om ze op een deskundige manier te conserveren, en te bewaren voor het nageslacht. Mogelijk zijn dit de oudste tastbare zaken die Essen nog bezit.
    De watermolen en de heipalen zijn te zien in de historische optocht van 6 september 2009.

    M.G
    De Echo 850 jaar Essen 4.

    Is het Essen, Esschen of …..?.

    In de schenkingsakte van Berner van Rijsbergen uit 1159 wordt de naam Essen reeds gebruikt, zij het op een iets andere manier geschreven, nl: Esschen.
    De schrijfwijze veranderde is in de loop van de eeuwen meermaals. Essen, Esschen, Eshen, Escheden, Esghen, Esca…..al naargelang de meestal ongeletterde bevolking het uitsprak.
    Het zou voor de hand liggen om te denken dat de naam afgeleid is van de boomsoort, de es die hier zou kunnen gestaan hebben. Maar daar was de heideachtige ondergrond niet geschikt voor en het zou eerder een zeldzaamheid geweest zijn.
    Vermoedelijk komt de naam (volgens opzoekingen door H. Van Geen)uit het Kelto/Germaans en is afgeleid van de beeknaam Asko of Aska. Een nederzetting bij een waterloopje of in de hoek tussen twee waterlopen werd “Askina” genoemd. In dit geval gaat het om het driehoekige Heuvelplein gelegen tussen de kleine Aa en de Magerbeek, die nog steeds onder de Nieuwstraat stroomt. “Askina” zou later in het Middelnederlands verbasterd kunnen zijn tot de verschillende vormen van Essen.
    Taaldeskundigen probeerden er in de loop van de jaren nog andere verklaringen voor te vinden met evenveel of even weinig zekerheid noch bewijs.
    Feit is dat het 850 jaar geleden al “Essen” was en het dat nog steeds is.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 5.

    Nog 200 dagen …..

    Het lijkt nog heel ver weg. Eerst moet het nog lente worden en daarna zomer, en vakantie….
    Maar toch, de voorbereiding van de historische optocht op 6 september is volop aan de gang en verloopt volgens planning. In november 2007 ontstond het idee en werd het scenario uitgeschreven.
    Intussen zijn verenigingen aangesproken, paarden besteld, wagens gereserveerd en kan de zoektocht naar de gepaste kleding beginnen. Vragen als: “wat droeg men in de middeleeuwen, of in de 18e eeuw, en waar is dat te vinden?” zorgden al voor slapeloze nachten en urenlang opzoekwerk. Maar het bracht ook een euforische gevoel telkens er weer een groep zich aanmeldde om reeds aan de slag te gaan met tekeningen, bouwplannen of met patronen, stoffen, linten, naalden enz….
    Aangezien zo’n stoet moet leven werd er gezocht naar voldoende muziekgroepen, met zowel klanken uit de middeleeuwen als de Rock and Roll van de jaren 50. Maar om alles tijdig klaar te krijgen hebben we u, lezer, nodig. Heel wat mensen en firma’s hebben hun steentje bijgedragen in de vorm van het schenken van stoffen en toebehoren, waarvoor dank. Maar om 800 figuranten gekleed te krijgen is veel materiaal nodig. Wie wil helpen met naaien, of wie nog resten stof op overschot heeft, is meer dan welkom en kan zich melden bij Maria Gommeren. Olympialaan 12, 2910 Essen. 03/667 20 10.

    M.G.
    De Echo 850 Jaar Essen 6.

    Moer in Essen.

    Eens Essen meer dan 8 eeuwen geleden bij Tongerlo ging behoren, werd er door het klooster gezocht naar bronnen van inkomsten. Was het niet op de armoedige gronden dan wel daaronder, in de moerassige veengebieden. In tijden dat hout schaars werd, moest er gezocht worden naar een vervangende brandstof, namelijk turf. Gedurende meer dan vijf eeuwen is het de bron van inkomsten geweest van een deel van de Essense bevolking. Nog steeds zijn er resten van de handgegraven turfvaarten te zien, waarover de vletten van ongeveer 13m lang met hun vracht turf of klot zich verplaatsten naar steden als Roosendaal of Bergen op Zoom. In totaal was er een stelsel van ongeveer 140 km aan waterwegen, wisselkommen en vaarten tussen Essen en de haven van Roosendaal. Op de terugweg werd het stadsmest meegebracht om de zandgronden vruchtbaar te maken en zo aan landbouw te kunnen doen. Gastarbeiders zijn geen fenomeen uit deze tijd, maar kwamen reeds in de 13e eeuw afgezakt naar Essen om te werken in de drassige gronden. Op de hoger gelegen drogere plekken, zoals de Nol, verbleven ze de zomer in schamele turfketen.
    Namen als Moerkant, Rouwmoer, Papenmoer, Nieuwmoer, enz... wijzen nog op deze periode.
    De turfontginning wordt uitgebeeld in de historische optocht van 6 september 2009.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 7.

    Stoetbijeenkomst.

    Toen in 2008 een aantal verenigingen enthousiast hun medewerking aan de historische optocht toezegden kon niemand zich indenken dat het zou uitgroeien tot een evenement waar nu reeds 850 figuranten en medewerkers bij betrokken zijn. Op de vergadering van maandag 26 januari, nog precies 200 dagen verwijderd van de grote dag, werd er door de 54 aanwezigen druk overlegd. Paardenman Louis De Bie, stoetbegeleider Willy Oerlemans en schminkverantwoordelijke Kathleen Pockelé kregen veel vragen te beantwoorden. De vrees dat de eerste spontane reactie zou verflauwen blijkt ongegrond.

    De onderwerpen van de optocht werden overlopen en de stand van zaken genoteerd. Verschillende groepen zijn reeds aan het denken, aan het naaien of hebben concrete bouwplannen. Er werd in kledingboeken gekeken om inspiratie op te doen, bouwtekeningen werden getoond, prijzen voorgelegd, jute en verf besteld en vragenlijsten ingevuld. Het was een genoegen om te zien dat de verschillende groepen met elkaar overlegden hoe een probleem kan aangepakt worden.

    Intussen nam Ludo Kerstens foto’s om op de website www.esseninbeeld.be te plaatsen.

    We zijn goed bezig, maar eens te meer beseft ondergetekende dat er nog een hele weg te gaan is en dat er nog veel geregeld moet worden. Met een intens opgelucht en dankbaar gevoel om zoveel inzet bouwen we allen samen verder. Alle hulp is daarbij welkom.
    Op maandag 25 mei 2009 is de volgende bijeenkomst gepland.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 8.

    De haestelijcke sieckte.

    Onze Essense voorouders kenden weinig tot geen hygiëne. De straten waren onverhard, de huizen laag, klein en dompig, met een vloer van aangestampte aarde die niet kon gepoetst worden. De boeren woonden met hun dieren in één ruimte waardoor zowel het huis als de bewoner stonk. In de bedstee op een strozak werd geslapen, gebaard en gestorven. Het gebrek aan properheid bracht ongetwijfeld ongedierte als ratten, muizen, luizen of vlooien met zich mee die de kans hadden om zich veelvuldig te vermenigvuldigen.
    De mensen wasten of verschoonden zich nauwelijks en het linnengoed werd maar een paar keer per jaar gewassen.
    De zwakkeren onder de bevolking waren de eerste slachtoffers van ziekten. Een eenvoudige verkoudheid of een geïnfecteerde wonde kon al dodelijk zijn.
    Bij een epidemie als tyfus of cholera stierven vaak honderden mensen.
    Het meest gevreesd was de builenpest of “haestelijcke sieckte”. Een vlooienbeet kon al de aanleiding zijn om binnen de paar dagen te sterven. Bij besmetting was het verboden om contact te hebben met andere dorpen. In de middeleeuwen verloor Essen en omgeving op korte tijd een derde van zijn bevolking aan deze kwaal.
    Pestmeesters, overlezers, kwakzalvers, piskijkers en kruidendokters prezen hun waren aan en deden soms gouden zaken bij de wanhopige bevolking.
    De pest wordt uitgebeeld in de historische optocht van 6 september 2009.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 9.

    Muziek van alle tijden.

    Zolang er mensen zijn heeft er altijd al muziek bestaan. Zelfs in de prehistorie werd met eenvoudige middelen gespeeld. Nochtans zijn instrumenten eeuwenlang ondergeschikt geweest aan de gezangen. De Kelten hadden reeds hun “barden” die regels, wetten en verhalen al zingend doorgaven aan de volgende generaties.
    Zo gebeurde het ook in de middeleeuwen in onze regio’s. Rondtrekkende straatmuzikanten, minnestrelen en troubadours, die vaak verschoppelingen van de maatschappij waren, probeerden op deze manier hun brood te verdienen en brachten tegelijk de stadse nieuwtjes naar de omwonende bevolking. Ze trokken van dorp naar dorp om de kermissen en bruiloften op te luisteren met hun ballades, strijdliederen, liefdesliederen of seizoensgebonden muziek.
    De instrumenten waren vaak zeer eenvoudig en te klasseren in 3 categorieën, snaar-, blaas- en slaginstrumenten. Een houten fluitje, een paar lepels, een klomp met een snaar of een doosje gevuld met steentjes waren al voldoende. Later werd er gebruik gemaakt van de schalmei, luit, vedel, trom, hakkebord, draailier of doedelzak. Zowel de melodie als het ritme waren eenvoudig en werden zelden opgeschreven. Voor de historische optocht van 6 september is beroep gedaan op vakmensen.
    Gunter Bauweraerts had met zijn groepje, Wendel, reeds zijn medewerking toegezegd toen hij in juli 2008 plots overleed. Zijn kinderen zetten zijn levenswerk verder en bewaren zo een waardevol stuk muzikaal erfgoed.

    M.G
    De Echo 850 jaar Essen 10.

    De gilden.

    Volgens het Van Daele woordenboek betekent "gilde" broederschap, lid van een vereniging. Volgens oudheidkundige kenners komt het van "gehulden", of leden die een eed hadden gezworen, trouw aan de principes van hun groep.
    Essen had er ooit zes. Er was één bijengilde, twee schaapsgilden en drie schuttersgilden. Allen hadden ze hun eigen feestdagen en patroonheiligen. Sint Ambrosius, Sint Ursula, Sint, Antonius, Sint Andries, Sint Andreas, Sint Norbertus of Sint Sebastiaan werden bij tij en ontij aanroepen. Het gehucht Spillebeek had ooit een gilde met als naam "Het sot scaap".
    Gilden hadden een sociale en economische functie: samen was men sterk. Wie wilde toetreden als lid bij een schuttersgilde moest worden voorgedragen door de hoofdman, en van onbesproken gedrag zijn. De groep stemde toe en het nieuwe lid zwoer een eed van trouw.
    De oudste vereniging van Essen is ongetwijfeld de Sint Sebastiaansgilde met een geschiedenis die terug gaat tot minstens 1511. Bij het ontstaan had ze vooral een verdedigingsfunctie voor de bevolking. Regelmatig werd er op de doelen geoefend in het handboogschieten. Tot begin van de 20e eeuw heette de Melkerijstraat nog de Doelstraete, waar hun oefenplaats was.
    Deze gilde was samengesteld uit mensen met enig aanzien. Vandaar dat het uniform van de mannen nog steeds de schuine schouderband heeft en geen rode zakdoeken. Deze zakdoeken werden gedragen door transpirerende landbewerkers. De Sint Sebastiaansgilde heeft lange tijd onder de hoge bescherming gestaan van de abten van Tongerlo, die meestal ook de functie van hoofdman bekleedden. Te zien in de historische optocht van 6 september 2009.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 11.

    Een pastorij of een burcht?

    Alhoewel onze parochiekerk tot in de 17e eeuw in Nispen stond, woonden er minstens 35 pastoors in Essen, nabij de watermolen. In de huidige 21e eeuw spreken we nog steeds van "De Oude Pastorij", gelegen in Essendonk.
    Er is weinig met zekerheid bekend over de oorsprong van dit gebouw maar het is niet onmogelijk dat het een jachtverblijf was van de Heren van Brabant en dat het er reeds stond bij de schenking van Essen aan Tongerlo in 1159. Het bouwwerk was toen waarschijnlijk gemaakt uit hout en leem met een hoektoren in steen. Tevens was er een hoeve en een brouwerij. In tijden van onheil bood het met water omringde domein een veilig onderkomen aan de bevolking en hun vee.
    Na de totale verwoesting in de 16e eeuw werd het gebouw opnieuw opgetrokken. Centraal daarbij stond het grote en comfortabele woonhuis met 28 slaapplaatsen. Onder de toegangspoort bouwde de toenmalige pastoor een kapel die plaats bood aan 130 mensen. Muurankers verwijzen naar het jaar 1699.
    Wat nu overblijft, is slechts een kwart van wat het ooit was. Boven de deur is vaag iets te zien van een oud wapenschild afkomstig van Piëra, een Tongerlose abt van 1695 tot 1723, met als leuze “Discrete”, wat “bescheiden” wil zeggen.
    Binnen de muren is er tweemaal een pastoor vermoord. In 1422 werd Willem Van Gestel gedood door zijn neef en in 1557 Henricus Bosch door rovers.
    De moord op de pastoor wordt uitgebeeld in de historische optocht van 6 september 2009.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 12.

    Vlas, wol en bont…

    In onze streek waren de mensen in de middeleeuwen verre van modebewust. Kleding diende enkel als bescherming tegen de weersomstandigheden en werd gemaakt uit materialen die hier voorhanden waren, namelijk vlas, wol en bont. Eind maart werd het vlas gezaaid en na 3 maanden gesleten (uitgetrokken). Daarna onderging het nog allerlei bewerkingen eer het klaar was om gesponnen te worden. Hoe fijner de draad hoe mooier het linnen dat geweven kon worden.
    De heideachtige kant van Essen was niet bepaald geschikt voor een veestapel maar wel om weinig eisende schapen te houden. Deze voorzagen de bewoners van melk, vlees en wol. In de zomer werden de dieren geschoren waarna de wol werd verwerkt om er later kledingstukken van te maken. Pas na het vervaardigen van de kleding werd deze soms gekleurd. Hiervoor werden natuurlijke kleurstoffen gebruikt zoals: wede, wouw, walnootbast, meekrapwortel, brandnetel of allerhande bessensoorten.
    Het resultaat was vaak grauw en ruw. Stoffen als zijde en fluweel zijn pas later uit het Oosten meegebracht en werden overwegend in de steden gebruikt.
    Met wat geluk werd er door stropen en jagen een konijn, mol of vos gevangen. Hun pels werd eveneens bewerkt en gebruikt als versiering of om warme winterkleding te maken. Wordt vervolgd…

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 13.

    Welke kleding droeg men in de middeleeuwen?

    De Essense bevolking was armoedig en zo ook hun kleding. Adellijke bewoners zijn er nooit geweest. Daardoor was dure en opzichtige kleding, om een status aan te tonen, onbekend.
    Vaak behielp men zich met wat lappen die rond het lichaam werden geslagen en met linten of een riem bijeengehouden werd. Aan de gordel hingen de geldbeurs en kleine werktuigen. Om zo weinig mogelijk van de eigen geweven stoffen verloren te laten gaan werden er vooral rechte gewaden gemaakt, eenvoudig van model en met weinig of geen opsmuk.
    De kledingstukken werden gedragen tot ze op de draad versleten waren en niet meer konden versteld worden. Naast het beschermen van het lichaam moest het vooral praktisch zijn om het land en de turfvelden te kunnen bewerken of op een paard te zitten.
    Vrouwen droegen in de vroege middeleeuwen een “cotte” of onderkleed, dat tevens het hemd was. Daarover kwam het iets kortere bovenkleed, vaak met wijde mouwen. Later bestond de bovenkleding uit een rok en keurslijfje met vetersluiting. De “hozen” of wijde kousen tot boven de knie werden met linten opgehouden.
    Ongehuwde vrouwen liepen blootshoofds, gehuwden hadden allerlei bedekkingen als sluier, mutsje, hoofddoek of kap. Voor mannen was de “kaproen” of schoudercape met puntmuts een bescherming tegen de weersomstandigheden. Verder droegen ze “beenlingen”, strakke kousen met linten opgehouden. Daarover kwam het hemd en de knielange tuniek met een gordel om onder andere voorwerpen bij zich te kunnen dragen. Als mantel werd een lap stof genomen die op de schouder werd bijeengehouden.
    In de historische optocht van 6 september 2009 wordt geprobeerd dit weer te geven.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 14.

    Belastingen in Essen.

    Vanaf het moment dat de abdij van Tongerlo het hier voor het zeggen had, werd ze de belastinginner van de Essense bevolking. Eén tiende van alle opbrengsten moest worden afgestaan. Het waren de zogenaamde tienden, die dienden als bron van inkomsten voor het klooster en om de pastoor, de kerk en de armen te onderhouden.
    Het systeem stamde uit de vroege middeleeuwen en is in gebruik gebleven tot de Franse revolutie, einde van de 18e eeuw.
    De pastoor en de meier namen de goederen in ontvangst op afgesproken data zoals O.L. Vrouw Lichtmis (2 februari) of Sint Baafmis (1 oktober) en verdeelden deze volgens afspraak. Eén derde was voor de plaatselijke kerkelijke instanties en tweederde voor de abdij van Tongerlo.
    Er waren drie soorten tienden:
  • de grote tienden op graan en vee
  • de kleine tienden op wol, vlas, groenten en kleinvee
  • de nieuwe tienden op de oogst van nieuwe ontginningen. Het graan werd opgeslagen in een graanschuur of spicarium. De huidige straatnaam Spijker getuigt van een plaats waar een dergelijke schuur heeft gestaan.
    Het kleinvee als schapen, geiten, biggen en kalveren werd ook de krijtende tienden genoemd, en daarvan afgeleid bestaat op Essen Hoek nog hoeve Creytenborg. Mogelijk werden de dieren hier verzameld.
    In latere perioden mochten de belastingen naast de tienden in natura ook verrekend worden in werkuren, turfsteken, vrachtvervoer, of nog later in geld.

    M.G.
  • De Echo 850 jaar Essen 15.

    Meier, schout, drossaerd…

    Al was de Essense bevolking in de middeleeuwen armoedig en ongeletterd, er waren regels en wetten, en mensen die er op toekeken dat deze nageleefd werden.
    Zo was er bijvoorbeeld de meier. Deze beëdigde ambtenaar werd rechtstreeks door de abdij van Tongerlo aangesteld. Hij was de beheerder van de kloostergoederen ter plaatse, tevens de bemiddelaar tussen de pachters en de abdij. Hij zag toe op de goede uitbating van de gronden, inde de pachten en tienden, gaf rekenschap aan de prelaat van Tongerlo en zorgde voor rust en vrede onder de bewoners. Hij benoemde de schepenen en riep de vierschaar bijeen.
    Guillielmus Van Innevelt was in Essen de laatste echte meier. Hij werd aangesteld in 1627 en stierf in 1649. Zijn huis stond in de huidige Nieuwstraat, nabij de vroegere Sint Jozefkliniek. Zijn grafsteen ligt in het Karrenmuseum naast die van molenaar Mertinus Lambrechts.
    Een ander bevoegd persoon was de schout. Deze behoorde tot het dagelijks bestuur van de gemeente en hield zich onder andere bezig met misdadige feiten. Hij deed de vaststellingen, spoorde daders op en was bij rechtszaken de openbare aanklager.
    Later werden namen als meier, schout, baljuw, drost, drossaerd door elkaar gebruikt.
    Essen had reeds in de 13e eeuw een eigen vierschaar (afgeleid van scarnen of banken). Deze was gezeten op het Heuvelplein onder een lindeboom. De beschuldigde kwam langs de weg die uitkwam bij de rechters om zijn schuld te belijden of "beleyen". Daarvan afgeleid kennen we nog steeds de Beliestraat waarvan de oudste vernoeming dateert uit 1463.
    Wordt vervolgd…

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 16.

    Straf-straffer-gestraft.

    Was het vroeger zoveel rustiger en veiliger dan nu?
    Bij het inkijken van de Essense geschiedenis valt het op dat er enkele eeuwen geleden ook regelmatig criminele feiten plaatsvonden. Dat kon gaan van diefstal, ordeverstoring, vechtpartijen, dronkenschap, vals spelen, beledigend taalgebruik tot misdaden als brandstichting of moord. Heksenprocessen heeft Essen nooit gekend.
    Kleine vergrijpen werden door de meier en de schout aangepakt. Zaken zoals moord werden voor de vierschaar berecht. Er stonden vier banken (scarnen) tegenover elkaar waar wijze heren van het gerecht zich moesten uitspreken over het gedrag van de beschuldigde. Essen had in de 13e eeuw al een eigen rechtbank.
    De zwaarte van de straf kon sterk uiteen lopen en was afhankelijk van het misdrijf. Dit kon gaan van boetes, het betalen van een schadevergoeding, op bedevaart gestuurd worden, tijdelijke verbanning uit de gemeenschap, in de schandpaal te kijk gezet worden, lijfstraffen, tot de dood op het rad of aan de galg. De laatste terechtstelling in Essen dateert uit 1767.
    Essen had drie terechtstellingplaatsen, zoals gebruikelijk gelegen aan de uithoeken van het gebied:
  • de Dievenhoek achter de huidige Quarantainestallen
  • de Boterbergen tussen Wildert en Kalmthout
  • de Raaiberg op Horendonk.

  • Deze laatste was een kunstmatig aangelegde berg van 12m aan de voet, 4m aan de top en 2m hoog. Daarop werd een galg of rad geplaatst. Een straf op deze manier was eerder zeldzaam. In maart 1961 is het restant van de berg afgegraven en zijn de overblijfselen ervan in het Gerard Meeusenmuseum terecht gekomen.
    Een voorbeeld van een terechtstelling wordt uitgebeeld in de historische optocht van 6 september 2009.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 17.

    Fanfare of harmonie?

    Wat is een optocht zonder een groep stappende en muziekmakende mensen. Het is een typisch Belgisch en Nederlands gebruik met een zeer oude geschiedenis.
    De oudste trompetten die archeologen ooit vonden zijn eeuwen voor Christus gemaakt van uitgeboorde hoorns van runderen. Rond 1400 voor Christus maakten de Egyptenaren de eerste metalen instrumenten die in de Romeinse tijd verfijnd werden. Aangevuld met trommelaars vormden de muzikanten de eerste militaire muziekkapel. Het leger heeft een belangrijke rol gespeeld in de ontwikkeling van de blaasmuziek. Over grote afstanden konden de soldaten op deze manier met mekaar communiceren of signalen doorgeven. Bij het ten strijde trekken liep de muziekgroep of fanfare (afgeleid van het Arabische woord “Fanfan”) voorop om de soldaten in het gelid te laten marcheren en moed te geven om te gaan vechten op het slagveld.
    In de middeleeuwen werden trompetten gebruikt door de poortwachters van de steden. Ook hier diende het instrument vooral om signalen te geven aan de bewoners.
    Blaasmuziek is lang geweerd uit de kerk en werd als heidens gezien. Enkel mannelijke zangers en organisten werden toegestaan.
    Vanaf 1500 kwam er een grote evolutie in de instrumentenbouw. Nieuwe technieken gaven meer mogelijkheden om in groep te spelen. Daardoor kwamen er naast fanfares, die enkel uit koperblaasinstrumenten en trom bestonden, ook harmonieën met ondermeer houtblazers.
    Omstreeks 1870 kreeg zowat elk Vlaams dorp zijn eigen muziekgroep, fanfare of harmonie.
    Essen heeft momenteel nog vier harmonieën die allen mee opstappen in de historische optocht van 6 september 2009.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 18.

    Een nieuwe straat in Essen.

    Van het aanleggen van een nieuwe straat kijkt al lang niemand meer op. Jaarlijks komen er in Essen meerdere wegen bij en telkens wordt er geprobeerd een passende naam te vinden.
    Maar hoe ging dat in de periode toen de pastoor vanuit zijn pastorij naar de kerk in Nispen liep? Of de inwoners van Essen, eeuwenlang langs hetzelfde zandpaadje? Dat weggetje heette en heet nog steeds Essendonk. Dat laat vermoeden dat het ietsjes hoger lag dan de rest van de gronden in het beekdal. Het liep waarschijnlijk kronkelend tussen de bossen en weiden. In de zomer was het stoffig en droog, in de winter een grote slijkboel.
    Het centrum van het dorp bevond zich van oudsher rond het Heuvelplein. Rond 1460 moet er een nieuwe weg zijn ontstaan richting Nispen en de kerk. Wat eerst een smal paadje was werd langzaamaan breder door de karren die er langs reden. Er werd wellicht zodanig veel gebruik van gemaakt dat er spontaan gesproken werd van een "nyeuwe strate". Deze zal wel even stoffig en modderig zijn geweest als Essendonk, maar in afstand korter.
    Toen Essen in 1669 aan de grens met Nispen een eerste eigen kerkje kreeg, werd de nieuwe zandweg met karrensporen een hoofdstraat. Aan deze weg werden voortaan de mooiste en grootste huizen gebouwen en woonden de meeste notabelen van het dorp.
    Het heeft nog geduurd tot half de 19e eeuw eer Essen een verharde weg kreeg. Dit was het Heuvelplein en de Nieuwstraat. De historische optocht van 6 september trekt onder meer door de Nieuwstraat.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 19.

    Miserie, miserie!

    Slechte oogsten, epidemieën, doortrekkende legers, armoede was in de 16e eeuw bijna dagelijkse kost voor de bewoners van Essen en omgeving.
    In het voorjaar van 1583 trokken 8000 plunderende soldaten en 1200 ruiters door het al zwaar geteisterde dorp, op weg naar een aanval op het kasteel van Wouw. Ze lieten een spoor van vernieling achter. De Essense bevolking die de doortocht overleefde werd verjaagd of vluchtte weg uit de verwoeste streek en lieten er hun bezit en vee achter. Alles wat bruikbaar was werd door de tuchtloze militairen in beslag genomen.
    Soldaten waren in het verleden nooit welkom in het dorp. Ze eisten steeds inkwartiering bij de boeren, ze plunderden, verkrachtten, stalen paarden, voedsel en materiaal. Kortom, ze brachten steeds veel ellende en miserie mee, en op de koop toe besmettelijke ziekten. Dat was in 1583 niet anders. Essen bleef gedurende drie jaar onbewoond. Er was zo goed als niets meer, geen huis, geen molen, geen pastoor, geen bewoners en geen vee…
    Na de val van Antwerpen trokken achtergebleven soldaten rond. Bij hun strooptochten in de omgeving van de Oosterschelde werd het verlaten Essen vaak gebruikt als schuilplaats om hun buit te verstoppen of om gekwetste soldaten te laten herstellen. Dat gebeurde bijvoorbeeld op het hoger gelegen deel ten oosten van de Spillebeek namelijk Hemelrijk.
    Na drie jaar een spookdorp te zijn geweest kwamen beetje bij beetje wat moedige bewoners terug om de draad weer op te nemen.
    Wordt vervolgd…

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 20.

    Nog meer miserie.

    De schaarse nieuwe bewoners van het verwoeste Essen vonden er geen geluk noch voorspoed.

    Nauwelijks enkele maanden na hun komst in 1586 kregen ze opnieuw bezoek van soldaten, dit keer de Spaanse, die hen weerom verdreven. Deze gingen nog driester te keer dan hun Franse voorgangers. Alle inspanningen om Essen weer op te bouwen waren tevergeefs geweest.
    De Spanjaarden hanteerden de tactiek van de verbrande aarde. Ze vernielden turfvaarten, dijken, en gewassen. Ze staken velden, stallen en huizen tot het laatste krotje toe in brand, zodat het grondgebied voor niemand nog aantrekkelijk was om in beslag te nemen. Dit gebeurde in opdracht van de Spaanse veldheer Alexander Farnèse die in Essen Hoek zijn basis had opgeslagen. Vermoedelijk trok hij van Essen Hoek naar Bergen op Zoom om de stad aan te vallen.
    Na zijn vertrek liet hij twee regimenten soldaten achter, totaal aan hun lot over gelaten. Zij bouwden een schans met de middelen die ter plaatse te vinden waren, namelijk zand en hout. Fort Creytenborg of Kretenborg (huidige Bergsebaan) was een omwald gebied men daarbinnen enkele houten gebouwen. Het fort bleef gedurende vijf jaar bemand.
    Einde 1586 kwamen opnieuw enkele moedige vroegere bewoners druppelsgewijs terug of namen vreemden hun plaats in. Hun namen gaven vaak de plaats van herkomst weer, zoals Van Wesel, Van Loenhout, Van Loon, Tilborghs, Van Tilborgh, Van Ginneken. De nieuwkomers ruimden het puin, en moesten in barre omstandigheden alles heropbouwen. Er werd weer geboerd, moer gedolven, gebouwd en getrouwd.
    Pas tien jaar later waren er weer een pastoor en een schout om in het Essense leven wat structuur te brengen. Fort Creytenborg wordt uitgebeeld in de optocht van 6 september 2009.
    Wordt vervolgd…

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 21.

    En wat daarna?

    Braakliggende en overwoekerde gronden, begroeide paden, verwoeste huizen, een spookdorp. Dat was de realiteit op het einde van de 16e en het begin van de 17e eeuw.
    Maar het leven ging verder, ook na deze meest dramatische tijd uit de geschiedenis van Essen en omgeving.
    Er kwam weer een pastoor en er werd een stenen kerk gebouwd in Nispen. Woningen werden weer zo goed mogelijk hersteld, gronden bewerkt, gezaaid en geoogst. Er werden weer kinderen geboren die opgroeiden onder de voortdurende dreiging van oorlog en tegenslagen.
    Een twaalfjarig bestand moest de mensen de kans te geven wat op adem te komen en hun bedrijfjes weer op te bouwen. Er kwam zelfs een bepaalde welvaart, mede door het veelvuldige verkopen van proviand aan de nog steeds gelegerde Spaanse soldaten op Essen Hoek.
    Maar toen kwam er een andere dreiging. Door de Vrede van Munster in 1648 werd Essen voor het eerst gescheiden van het moederdorp Nispen. De rijksgrens liep dwars door de parochie met alle gevolgen van dien als tol betalen en grensbewaking. De noordelijke provincies vielen onder het gereformeerde bewind terwijl de zuidelijke, waaronder Essen, katholiek bleven maar geen kerk meer had. De pastoor probeerde illegaal zijn werk verder te zetten in huizen of stallen.
    Er kwam een noodoplossing door een houten gebouw op te trekken aan deze kant van de grens, op Steenpaal. Deze zou dienst doen tot de toestand in Nispen weer opgeklaard was, maar dat gebeurde niet zo snel als gehoopt. Na zeventig jaar was de schuurkerk totaal vervallen en werd besloten om in 1729 Essen een eigen kerk te geven aan de grens. Zo werd een stukje van de Nieuwstraat toepasselijk Kerkeneind.
    De houten schuurkerk is te zien in de historische optocht van 6 september 2009.

    M.G.
    De Echo 850 Jaar Essen 22.

    File in de Postbaan.

    Veel verder dan hun eigen dorp kwamen de meeste mensen nooit. Een enkele keer gingen ze op familiebezoek, naar een bruiloft of begrafenis in een naburig dorp. Voor velen was een bedevaart naar Meersel Dreef, Kontich of Scherpenheuvel zoveel als een wereldreis.
    Van echte straten was er nauwelijks sprake. Een pad door de heide, een karspoor van het ene dorp naar het andere waren vaak de enige verbindingswegen. In de zomer waren de wegen stoffig en zeer droog, in de winter zakten de karren tot hun as in het slijk.
    De dorpskern rond de waterput van het iets hoger gelegen Heuvelplein was het belangrijkste kruispunt van wegen in Essen.
    In noordelijke richting ging het naar de kerk van Nispen, oostelijk naar de watermolen aan de kleine Aa, zuidelijk naar de gemeenschappelijke akkers en de tiendenschuur, en westelijk naar de windmolen, de Moerkant en Huybergen. De Oude Baan was in de middeleeuwen reeds een grotere verbindingsweg die liep van Kalmthout via Wildert, naar het gehucht Hondsberg en Nispen. Aangezien de weg niet langs het Heuvelplein loopt is het niet uitgesloten dat deze ouder is dan de dorpskern.
    De grootste verkeersader was de Postbaan die Antwerpen en de Moerdijk met mekaar verbonden. Deze weg werd gebruikt door kooplieden, handelaars, voerlui, soldaten, reizigers, politieke gezanten enz…
    Onderweg werd er gelogeerd in posthuizen waar de reizigers als heren werden ontvangen en bediend. Posthuis “Den Uil” lag halfweg, op 32 km of een dagrit van beide uiterste punten verwijderd. In de zomer reden er dagelijks wel honderd paarden langs, in de winter en bij slechte weersomstandigheden toch nog een tiental. Een drukke route dus. Wordt vervolgd…

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 23.

    Den Ouwen Uil.

    De wegen waren gevaarlijk. Vooral ’s nachts was het risico om overvallen te worden door struikrovers, dronken mensen, bedelaars of wolven niet uitgesloten. Voerlui reden liefst in konvooi of namen extra mankrachten mee om hun lading te beschermen. De koetsiers waren vaak onervaren of dronken waardoor een rit met de postkoets een regelrecht avontuur was. Er gebeurde meermaals ongelukken door het gebruik van slechte materialen of het nemen van risico’s op de slechte wegen. Langs de postbaan van Antwerpen naar Dordrecht, die via Horendonk liep, waren meerdere afspanningen te vinden.
    Vermoedelijk is “Den Uil” (uit omstreeks 1625) niet als posthuis gebouwd maar was het enkel een stopplaats voor postkoetsen omdat de stallingen mogelijkheden boden om van paard te wisselen, uit te rusten of te eten. Daarvoor was de afspanning zeer gunstig gelegen aan de Antwerpse-of Zevenbergseweg. Het was een gekende plaats. Dat blijkt uit een brief die in 1716 geadresseerd werd aan de bewoner. "Aan Monsieur P. Van Opdorp in den Uil halfweg wegen Moerdijk en Antwerpen buiten de mael bij Eschen"
    In 1693 werd een nieuw gebouw opgetrokken waardoor er voor het eerst sprake was van een "ouwe" en "nieuwe" Uil. In 1775 sloten Kalmthout en Essen een overeenkomst om een baan aan te leggen van Zilverenhoek naar Spijker. Dit stuitte op veel tegenstand van de omliggende eigenaars, maar al vlug gaven voerlui de voorkeur aan deze weg boven de Postbaan.
    Grote namen passeerden “Den Ouwen Uil”, waaronder: Louis Napoleon, de Koning van Polen met zijn gevolg, Mozart met zijn ouders op weg naar Rotterdam, de Engelse generaal Marlborough en heel wat anderen..
    "Den Ouwen Uil" heeft een eigen duivelslegende. Deze is te zien in de optocht van 6 september 2009.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 24.

    Trouwen is houwen.

    Trouwen betekende - en betekent nog steeds - houwen, niet noodzakelijk houden van. Dat was/is mooi meegenomen maar geen noodzaak. Ook vroeger was dat zo. Hoewel, rang en stand, afkomst en bezit waren soms van meer belang dan gevoelens. Vooral in boerenmiddens was het aangewezen om met iemand te trouwen die men kende en die wat mee bracht om de boerderij, die mogelijk door meerdere kinderen moest vererfd worden, in stand te houden. Jonge mensen leerden mekaar kennen op familiefeesten, trouwpartijen of kermissen. Het was aan de jongen om zijn belangstelling te tonen en de goedkeuring van de vader te vragen.
    Eer deze zijn toestemming gaf werd de jongen aan een streng verhoor onderworpen aangaande afkomst en mogelijkheden om een gezin te onderhouden. Verkering gebeurde onder het oog van de ouders en werd in de vastentijd voor enkele weken opgeschort. Een huwelijk omwille van het zwanger zijn van de bruid was een regelrechte schande.
    Als in de meimaand het vee op de wei was werd er getrouwd waarbij de schoongemaakte stal als feestzaal dienst deed. Er moest vooral veel gegeten en gedronken worden. Dat was een voorteken van een overvloedig leven. Het dagelijkse leven was doorweven met geloof en bijgeloof, zeker bij belangrijke beslissingen als bijvoorbeeld trouwen. Daarom werden er op de vooravond van een huwelijk geweerschoten gelost om het kwade te verdrijven. Wie men op weg naar de kerk ontmoette was voorspellend: een begrafenisstoet voorzag weinig geluk, een bedelaar evenmin, maar een groot gezin of een zwangere vrouw wees op een vruchtbare toekomst.
    Menige bruid is ook nu nog steeds gecharmeerd wanneer ze op haar trouwdag over de drempel wordt gedragen. Het bijgeloof zegt echter dat een struikelende bruid ongeluk brengt en wie als eerste een voet in het huis zet er ook levenslang de baas zal zijn.
    In de historische optocht van 6 september 2009 is een boerenbruiloft te zien en spelen muzikanten ten dans.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 25.

    Vrouwenzaken.

    Eens een jong paar was getrouwd moesten er liefst zo snel mogelijk en zoveel mogelijk kinderen komen. Een groot nageslacht leverde werkkrachten op en was de zekerheid voor een verzorgde oude dag. Zwangerschappen en bevallingen waren vrouwenzaken, in een sfeer van geheimhouding en intimiteit, waar mannen ver buiten werden gehouden. Vandaar waarschijnlijk het vele bijgeloof dat er eeuwenlang rond bleef hangen. De moeder-of kindersterfte was zeer groot. Enkel de sterkste overleefden. Daarom nam men liever geen risico’s en bleven bepaalde regels of tradities in stand gehouden tegen alle logica in. Zo mocht een zwangere vrouw niet naar lelijke dingen of mensen kijken om geen abnormaal kind voort te brengen. Bij het schrikken mocht ze niet naar haar gezicht grijpen om geen moedervlekken op die plaats te krijgen. Vooral de Heilige Rita, patrones van de hopeloze gevallen kreeg menig zwangere vrouw over de vloer met de vraag om hulp en bijstand in deze angstige beleving vol risico.

    Eeuwenlang werd de barende vrouw bijgestaan door een baker. Dit kon een opgeleide vrouw zijn maar evengoed iemand die het vak van haar moeder of door ervaring had geleerd of zelf veel kinderen had gekregen. Ze droeg een grote verantwoordelijkheid en moest in geval van nood het doopsel toedienen. Er werd veel belang gehecht aan het onmiddellijk laten dopen van de boreling, liefst nog op de geboortedag. Peter en meter waren belangrijke medespelers. Zij gaven de naam en keken over de schouder mee of het kind voldoende christelijk werd opgevoed. Met wat geluk sponsorden ze het communie~ of trouwkleed, of lieten ze het petekind op hun kosten studeren. De eer om peter of meter te mogen zijn gebeurde volgens een traditionele rangorde. Bij het eerste kind was de moeder van de jonge moeder de meter en de vader van de jonge vader de peter. Bij het volgende kind kwamen de andere ouders aan de beurt en vervolgens de broers en zussen van beide kanten volgens leeftijd.
    Grootouders, ouders en kinderen woonden onder één dak en zorgden voor mekaar. In de historische optocht van 6 september gaat een familie ten doop.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 26.

    Dood en begraven.

    De eerste begrafenisondernemer, "(Hensen)" kwam in 1934 in Essen wonen. Voor die tijd begroef men zelf zijn doden. Het leven begon en eindigde thuis, omringd door familieleden en behulpzame buren. Eens de overledene was afgelegd, het doodshemd was aangetrokken en de timmerman de maat van de kist had opgenomen, werden de voorbereidingen voor de begrafenis getroffen. Net als bij een geboorte was ook dit levensdeel doorspekt met tradities, oude gebruiken en bijgeloof. Zo werd de klok stil gezet en de spiegel afgedekt als signaal voor de overledene dat het begrip tijd niet meer van toepassing was. Onder het geopende raam met gesloten luiken werden twee bakstenen gelegd met stro tussen gelegd (symbool voor een stoffelijk overschot). De wijze waarop de stenen gekruist lagen gaf aan of er een man, een vrouw of een kind was gestorven. Elke avond werd er gewaakt en een rozenkrans gebeden tot zielenheil. De dode werd na vier dagen opgebaard te hebben gelegen, met de voeten eerst het huis uitgedragen en op een boerenkar gelegd op een laag ongebroken stro. Aangezien de ziel mogelijk in dat stro zou kruipen werd het na de begrafenis niet mee terug naar huis genomen. Er waren tot zeven verschillende ‘klassen’ om begraven te worden. Voor armste mensen was dit om 7u in de morgen, de rijke werden "elfurenlijken" of "eersteklassers" genoemd en vervoerd in een rijkelijk versierde lijkkoets getrokken door meerdere zwarte paarden, bedekt met zwarte rouwdoeken. Zowel aan het rouwhuis als het kerkportaal werd een zwart met goudversierde rouwkapel opgehangen. Er zijn tijden geweest dat deze laatste groep zich binnen in de kerk onder de vloer liet begraven. Dit waren dan de zogenaamde "rijke stinkers". De Oostenrijkse Jozef II, ook keizer koster genoemd, schafte dit en nog veel meer traditionele Vlaamse gebruiken af in 1784.
    In de middeleeuwen waren uitvaarten gigantische feesten. Er werd minstens twee dagen overvloedig gegeten en gedronken. Het werd daarom vaak "een uitvaart is een zuipvaart" genoemd. Ook daar knipte Jozef II in en stond enkel nog een schamele maaltijd toe. De Sint Sebastiaansgilde kent nog steeds het gebruik van het schenken van een vaatje sterfbier bij het overlijden van een lid.
    In de historische optocht van 6 september 2009 wordt "te lijk" gegaan.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 27.

    Boer of abt?

    Toen in 1725 in het Kempische Vorst een kleine jongen met de naam Godfried Hermans werd geboren, zullen zijn ouders niet gedacht hebben dat hij zo’n belangrijke rol zou spelen in de geschiedenis van Essen. Hij trad binnen in de abdij van Tongerlo en werd in 1762 naar onze regio gestuurd om de kloostergoederen te beheren. In zijn hart was hij meer boer dan kloosterling en hij trok vaak zelf de werkkleren en laarzen aan om verwaarloosde hoeven en gronden weer leefbaar te maken. Tijdens het Oostenrijkse bewind werd niet toegestaan dat gronden braak bleven liggen. Onder meer om die reden bouwde of kocht Tongerlo in deze streek meer dan 30 hoeven en maakte ze rendabel. In 1775 bouwde Hermans zijn grote trots, de herenhoeve "De Greef". Het werd een voorbeeld voor de hele streek. Deze modelhoeve werd op een progressieve manier gerund. Het was de voorloper van een goed lopende supermarkt waar de bevolking terecht kon voor alles wat ze nodig had: plant - of zaaigoed, kleinvee, landbouwwerktuigen, steenkool, bakstenen, hout, wijn en nog veel meer.

    Godfried Hermans voerde een degelijk maar vernieuwend beleid. Zo liet hij oude wegen opknappen en nieuwe aanleggen ( de verbinding tussen Zilverenhoek en Spijker). Hij plantte bossen aan waarvan de boomstammen als mijnhout kon verkocht worden en boerde op een moderne manier waardoor de gronden meer opbrachten. In 1779 was het bedrijf "De Greef" 126 ha groot en stelde 22 mensen te werk. Het liefst zat hij ’s avonds met zijn mensen in de boerenkeuken rond het haardvuur om samen muziek te maken. Hij was erg graag gezien en bleef een Kempische zoon die leefde voor zijn volk en zijn gronden.

    Reeds in de 14e eeuw had de abdij van Tongerlo in Essen vijf hoeven, met name: Den Donk op Heikant, Priesterdonk op Wildert, Oost en West Spijkerhoeve en Voetberghoeve. Hermans bouwde er nog enkele bij en gaf Essen meer welstand en zekerheid. De meest bekende is nog steeds de Kiekenhoeve uit 1767.

    Wordt vervolgd…

    M.G
    De Echo 850 jaar Essen 28.

    Kracht en geduld.

    Zeer tegen zijn zin werd Godfried Hermans in 1780 tot nieuwe leider van de abdij in Tongerlo gekozen. Pas op de vooravond van zijn aanstelling verliet hij zijn geliefde plek ´De Greef´. Zoals gebruikelijk koos hij als abt zijn wapenschild. Met de liggende schapen en de ossenkoppen toonde hij hoe sterk hij was gebonden aan Essen met zijn heidegronden (schapen) en vele ontginningen (ossen). Als spreuk nam hij ´Fortiter et Patiënter´, of ´kracht en geduld´. Deze kwaliteiten waren nodig om te overleven in onze streek. Symbolisch schonk hij zijn schild met lijfspreuk aan de bevolking van Essen. Dit tafereel is uitgebeeld in een kunstwerk uit witte hardsteen, in 1953 gekapt door kunstenaar L. Van Esbroeck. Het hangt aan de voorgevel van het huidige gemeentehuis.

    In Tongerlo maakte Hermans als abt woelige perioden mee. Eerst waren er de politieke strubbelingen onder het Oostenrijks bewind en later de aanzienlijke problemen door de Franse Revolutie waarbij alle kloostergoederen werden aangeslagen en verkocht. Ook zijn grote trots ´De Greef´ kwam onder de hamer. In Essen werden de twaalf abdijhoeven, de windmolen, de oude pastorij en gronden verkocht als zogenaamd ´zwart goed´. Abt Hermans moest machteloos toezien hoe alles verloren ging en er een nieuwe tijd aanbrak. Hij stierf in 1799 als een gebroken man.

    Op enkele plaatsen in Essen staan nog steeds hoeven of gebouwen die herinneren aan de Tongerloperiode zoals: de Oude Pastorij in Essendonk, de Spijkerhoeven, Kiekenhoeve aan de Moerkantsebaan, hoeve op de Schriek aan de Nieuwmoersesteenweg, Priesterdonkhoeve op Wildert, de Ringelse hoeve in Schanker, Rouwmoershoeve bij het college, de Blauwhoeve op den Donk, domein Hemelrijk...

    Godfried Hermans, de landbouw , verhuis en het marktgebeuren zijn te zien in de historische optocht van 6 september 2009.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 32.

    Zijn we nu Hollanders of niet?

    Dat Napoleon verslagen was, kwam ook de Essenaren ter ore. Er waren zelfs enkele dorpelingen meegetrokken met zijn leger. In mei 1814 kampeerden er nog Pruisen, Saksen, Engelsen en Hollanders op Horendonk. Een maand later werd in Londen beslist dat de lage landen voortaan één staat zouden zijn met aan het hoofd prins Willem van Oranje. Dit deerde de bevolking van Essen niet want na een Spaanse, Oostenrijkse en Franse overheersing was het Hollands tenminste een verstaanbare taal.
    Het gemeentehuis op het Heuvelplein kreeg een mooie vergulde W op zijn balkon en verder draaide het leven (of overleven) gewoon verder.
    Het veranderde toen ontevreden Walen onder de druk van Frankrijk in Brussel een revolutie ontketenden. In 1830 werd er weerom over de hoofden heen beslist dat we een zelfstandige staat werden met als naam België. Aan het hoofd kwam de vroegere schoonzoon van de koning van Engeland, Leopold I van Saksen Coburg.
    Nog maandenlang heerste er onrust in het nieuwe landje. De grenzen van Essen werden bewaakt door Waalse militairen die hoge eisen stelden aan de bevolking. In november 1831 ging een groepje soldaten uit verveling in Roosendaal amok maken. De volgende dag namen de Hollanders weerwraak en kwamen ze tijdens de hoogmis met 4000 man Essen binnen gevallen. De bevolking vluchtte de Essendonkse bossen in, huizen werden doorzocht en vijf Waalse militairen op het Heuvelplein gedood. Als aandenken aan deze gebeurtenis werd er later de vijfkantige gietijzeren pomp geplaatst met de namen van de gesneuvelden op.
    Pas in 1839 gaf koning Willem I toe dat België onafhankelijk was en 4 jaar later werd de grens gemarkeerd met de bekende grijze genummerde grenspalen.
    Koning Willem I, de Hollandse en Belgische soldaten lopen mee in de historische optocht van 6 september 2009. Een landmeter bepaalt de plaatsen van de grenspalen.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 33.

    In eerste, tweede of derde klasse reizen.

    Afstanden werden in de 19e eeuw vaak uitgedrukt in "uren gaans" in plaats van in kilometers. Het was een normale zaak om midden in de nacht te voet en op de klompen te vertrekken met handelswaren om deze in Antwerpen op de vroegmarkt te kunnen verkopen.

    Daar kwam verandering in toen de heer Gihoul, grootindustrieel en bewoner van het domein Hemelrijk, een overeenkomst sloot met de Belgische en Nederlandse regering om een spoorlijn van Antwerpen naar de Moerdijk aan te leggen. Voorbij Wildert maakte het traject een bocht westwaarts om precies bij zijn domein uit te komen waardoor de omliggende gronden flink in waarde stegen. De eerste trein werd feestelijk onthaald in het station op 26 juli 1854. Dit bracht voor Essen grote veranderingen mee. Enerzijds kwamen stedelingen naar "den buiten" voor de goede lucht en anderzijds bood de trein de mogelijkheid om in Antwerpen te gaan werken als havenarbeider, in de fabrieken of als dienstmeid bij de burgerij. In plaats van 6 uren te voet te gaan kon het traject worden afgelegd in een kwart van die tijd.

    In de omgeving van het station ontwikkelde zich een nieuw dorp. Er kwamen handelshuizen, bedrijven, magazijnen, winkels, cafés, hotels en woonhuizen. Ook de bouw van de quarantainestallen is een gevolg van de komst van de trein evenals het bouwen van een kerk en school.

    Lange tijd is er zowel in het station als op de trein een onderscheid geweest tussen arm en rijk. De arbeiders, werkmensen en studenten verplaatsten zich in derde klasse wagons met houten banken. De burgerij reisde in een eerste klasse compartiment. De wachtzaal of buffet van eerste en tweede klasse was smaakvol ingericht met lederen banken, houten panelen en een marmeren blad als toog.

    Het huidige stationsgebouw kwam er in 1902, het viaduct in 1959. Het hele stationscomplex was op een bepaald moment 20ha groot en had 32 sporen om te kunnen rangeren.

    In Engeland en België rijden de treinen nog steeds op het linkerspoor.

    De trein rijdt mee in de historische optocht van 6 september 2009.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 34.

    Van leren tot studeren..

    In het eenvoudige landelijke Essen was onderwijs en ontwikkeling lange tijd geen prioriteit. Wat men moest kennen om te overleven werd in het dagelijkse leven al doende geleerd. Oorspronkelijk was het vaak de pastoor (en later de koster)die tevens onderwijzer was. De kinderen werden vooral klaargestoomd om hun communie te mogen doen. Veel meer dan een basis van rekenen en lezen stelde het onderwijs niet voor. Wat men leerde werd op een lei met griffel ingeoefend en in het geheugen gedreund.

    De oudste vermelding van een schoolmeester in Essen is reeds uit 1346. Diegene die het langste is gebleven is waarschijnlijk meester Verhoeven. Hij kwam uit Stabroek, trouwde met een Essense vrouw en begon in 1846 hier les te geven. Het klaslokaal was een ruimte in het voormalige gemeentehuis op het Heuvelplein. Er bestond geen leerplicht waardoor hij in de zomer weinig leerlingen had. Er moest gewerkt en geoogst worden. In de winter zat zijn klasje vol en leerde hij de kinderen lezen, cijferen en zingen. Hij bleef les geven tot aan zijn pensioen in 1880. Toen hij in 1916 honderd jaar werd is er op het Heuvelplein een boom geplant, de zogenaamde Verhoevekensboom. De schoolmeester stierf een jaar later. Zijn boom werd versierd met een kapelletje en dit werd er ook het einde van. Hij werd letterlijk gewurgd door de ijzeren band die als ophanging van het kapelletje rondom de stam diende en brak bij een storm doormidden.

    In 1866 kwam er een echte school op verzoek van deken Hermans die het ongepast vond dat jongens en meisjes samen in één klas zaten. De kostschool van Mont Sainte Marie of Mariaberg, gesticht door de zusters van Roosendaal, was bedoeld voor meisjes van 8 tot 16 jaar. Na de eerste wereldoorlog werd de school overgenomen door de zusters van het Heilig Hart van Berlaar. Momenteel verblijven er nog acht zusters.

    Begin van de twintigste eeuw werd het onderwijsniveau in Essen nog meer opgetild door de komst van het college op Rouwmoer. De jongens die op dit internaat terecht kwamen waren voorbestemd om priester te worden of een universitaire studie te doen.

    Het onderwijs in Essen wordt uitgebeeld in de historische optocht van 6 september 2009.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 35.

    Nooit meer oorlog.

    Alhoewel zowel België als Nederland bij de onafhankelijkheid in 1830 de neutraliteit hadden ondertekend werd ons land ongewild toch betrokken bij de eerste wereldoorlog. Het Duitse leger liep als een pletwals over België heen waardoor duizenden mensen via Essen naar Nederland trachtten te vluchten. Om dit te voorkomen werd ons land door de Duitse bezetters hermetisch afgesloten door een elektrische omheining met 2000 Volt, ( een replica van ´den Draad´ staat in het Karrenmuseum). Deze werd niet óp de grenslijn geplaatst maar ter hoogte van de Zilverenhoek tussen Essen en Achterbroek. Hierdoor was Essen gedurende drie jaar van de rest van België afgesloten. Er was geen aan- en afvoer van producten meer, het treinverkeer werd stopgezet en bedrijven gingen failliet waardoor velen werkeloos werden. De enige manier om te overleven was smokkelen om in eigen of in andermans behoeften te voorzien. Dit werd in ploegen gedaan en leidde vaak tot een kat en muisspel met de grensbewakers. De meest beruchte smokkelaar uit de streek, Klaveren Vrouwke, werd op 6 mei 1916 aan de ´strontpaal´ op Horendonk neergeschoten in een conflict met de Nederlandse beambten. Tijdens de historische optocht komt hij even weer tot leven en wordt een stuk van ´Den Draad´ getoond.

    In 1940 werd het opnieuw oorlog en waren de gevolgen voor Essen veel dramatischer. Mensen werden weggevoerd om in Duitsland te gaan werken, paarden en voedsel opgeëist, kerkklokken meegenomen om kanonnen te maken, en nog veel meer ellende bracht deze oorlog mee. Maar wat vooral voor grote angst zorgde waren de vliegende bommen en beschietingen vanuit de lucht. Bij deze oorlog liep Essen veel schade op. Zo werden alle kerken van onze gemeente opgeblazen en veel huizen gebombardeerd waarbij de bewoners omkwamen. Ook op menselijk vlak was het emotioneel en materieel een zeer zware tijd. Deze oorlog liet op verschillende vlakken littekens na die jaren later nog te zien waren.

    Zowel de eerste als de tweede wereldoorlog zijn te zien in de historische optocht van 6 september .

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 36.

    Die goeie ouwe tijd……800/850 jaar Essen.

    Voor de 50 plussers Essenaren is dit de tweede keer dat hun gemeente een groot feest te vieren heeft. In augustus 1957 gebeurde dit samen met het moederdorp Nispen dat toen 1000 jaar oud was. Intussen is, onder meer door opgravingen uit de tiende eeuw, gebleken dat Nispen waarschijnlijk nog ouder is.
    Essen en Nispen sloegen 50 jaar geleden de handen in mekaar om samen een historische optocht te organiseren. Van de vorige stoet zijn nauwelijks beelden terug te vinden. Een enkele foto en een eenvoudige zwart/wit film geven een beeld van hoe destijds werd gefeest. Het was nog de tijd zonder televisie, digitale camera of telefoon. De tweede wereldoorlog was nog maar nauwelijks 15 jaar voorbij en er werd volop gewerkt, zowel door mannen als vrouwen, aan de heropbouw van de gemeenschap. Vrouwen waren er in 1948 eindelijk in geslaagd om stemrecht te krijgen, wat in Nederland reeds in 1919 was gebeurd.
    Langzaam maar zeker kreeg Essen meer welvaart. Er kwam meer werkgelegenheid onder meer in fabrieken als Lonka of Capsule. In 1935 werd er en ziekenhuis/moederhuis gebouwd, wat een grote vooruitgang betekende op gebied van gezondheidszorg.
    Zoals in de rest van het land kwam Essen ook in een stroomversnelling terecht. Onderwijs, een bibliotheek, werkgelegenheid, hulpdiensten, gezondheidscentrum, sportgelegenheden, vervoermiddelen, musea, communicatiemogelijkheden, comfort… het kwam er allemaal, en voor iedereen.
    Essen biedt momenteel onderdak aan 71 nationaliteiten waarbij de 2000 Nederlanders de meerderheid vormen. De tijd van smokkelen en douaniers is lang voorbij, grenzen zijn zo goed als verdwenen.
    Dit en nog veel meer is te zien in de historische optocht van 6 september 2009. Deze vertrekt om 14 u aan het station en gaat via de Stationsstraat en Nieuwsstraat tot het Heuvelplein, het kloppend hart van Essen door alle eeuwen heen.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 37.

    Het Karrenmuseum en de stoet.

    Tijdens de bijna twee jaar durende voorbereidingen van de historische optocht werd er vaak gevraagd: "Waar ga je dat materiaal allemaal nog vinden?" Daarbij was vanzelfsprekend de eerste optie het Karrenmuseum.
    De postkoets, de jachtbrik van koning Willem I en zijn gezin, de hooiwagen, beerkar, verhuiswagen, de wagens waar sommige muziekgroepen mee vervoerd werden, de sjees van Godfried Hermans, het trouwkoppel, de stootkar van de pestleiders, de scharensliep, de oude kruiwagens, zelfs de strontkarren of de oude fietsen kwamen allemaal uit de collectie van bijna tweehonderd voertuigen die het "Karrenmuseum Essen vzw" bezit.
    Ook het kleine materiaal zoals de zeis, de wan, de hooivorken, de dorsvlegels, de bezems, de houten schoppen, het turfgereedschap, en nog veel meer werd voor deze gelegenheid ontleend aan het museum.
    Het item over Godfried Hermans, de landbouw en de verhuis werd uitgebeeld door de vrijwilligers van het Karrenmuseum en de Koninklijke Heemkundige kring.
    In de week van 7 tot en met 14 september kunnen op het terrein van het Karrenmuseum aan de Moerkantsebaan 48, in Essen, nog een aantal wagens van de optocht worden bewonderd tussen 9.30u en 16.30u, of op afspraak. Telefoon: 03/667 73 90.
    Dank je wel aan alle medewerkers van deze optocht, voor of achter de schermen, alle verenigingen, alle mensen die op één of andere manier bij het opbouwen van de stoet betrokken waren, de figuranten, de naaisters, de schenkers van stoffen, van kleding, verf of andere materialen....
    Vanaf begin oktober is er als unieke herinnering aan dit feest een professionele dvd van de historische optocht te verkrijgen bij "Foto Vandenkeybus". Nieuwstraat 45, 2910 Essen. 03/667 53 85, of op het VVV kantoor De Tasberg aan de Moerkantsebaan 50 te Essen 03/6771991.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 38.

    Van rad tot radbraken.

    Misdaad en straf zijn van alle tijden. Reeds bij onze verre voorouders zoals de Kelten of Germanen werd er geoordeeld over de begane fouten. Lange tijd gebeurde dat in de eigen leefgemeenschap, meestal op het dorpsplein onder een lindeboom. Straffen konden gaan van: een boete, een minnelijke schikking, in beslagneming van huis of bezit, uitwijzing, op bedevaart worden gestuurd, tot de doodstraf aan galg of rad. Mannen weden vaak opgehangen aan de galg, vrouwen in de schandpaal gezet of levend begraven. Van dit laatste zijn in Essen geen gevallen bekend.
    De laatste samenkomst van de "openluchtvierschaar" op het Heuvelplein vond plaats in 1598. Klachten als: een meineed hebben afgelegd, een teerling te hebben verwisseld, het uitschelden van een misdadiger, een herbergruzie, smaad aan de overheid, brandbrieven, behoorden tot de te behandelen zaken.
    In maart 1738 sloeg Jan Van Oevelen, in een ruzie om geld en schulden, de vroegere pachter van hoeve Vredenberg nabij Hemelrijk, Jaan Joosen, met een geweerkolf dood. Vermoedelijk had het zoontje van de moordenaar iets gemerkt. Hij kreeg van zijn vader en afstraffing en overleed eveneens aan de gevolgen er van. Na een jarenlang proces werd Jan Van Oevelen in 1741 terecht gesteld op de Boterbergen in Kalmthout.
    Op zondag 20 september opent het "Karrenmuseum Essen vzw" een nieuwe tentoonstelling met als thema "Van rad tot radbraken". Om 14u en 15.30u worden met een groep vrijwilligers de laatste uren van de misdadiger nagespeeld. Hij wordt onder tromgeroffel naar het rad gevoerd, begeleid door zijn biechtvader, de rechter, de griffier, de beul, de bewakers en de misnoegde bevolking.
    De tentoonstelling is te bezoeken elke zaterdag en zondag vanaf 20 september tot 18 oktober, tussen 13.30u en 17u in de Rietendakschuur gelegen tegenover VVV De tasberg. Info: 03/667 73 90.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 39.

    Hoevebenamingen

    Lang voor elke straat een naam had, moest een huis of hoeve op één of andere manier al worden aangeduid. De eenvoudigste manier was om ze een eigen naam te geven. Hoeve op "Den Donk" of "hoeve aan de kleine Schriek" vertelde meteen waar ze te vinden waren.
    Het is dan ook een mooi initiatief van de Landelijke Gilden van het gewest Kalmthout (waaronder ook Essen, Essen-Hoek, Wildert, Kalmthout, Nieuwmoer, Achterbroek, Wuustwezel, Gooreind en Loenhout vallen) om in dit feestjaar opnieuw hoevebenamingen toe te passen.
    De eigenaars van de betreffende hoeven werden aangeschreven en ongeveer de helft ervan was bereid om mee te doen aan dit project waarbij werd gekozen voor een eigengemaakte of een geschiedkundige naam. De oude nota’s van heemkundig onderzoeker Gerard Meeusen bieden een schat aan gegevens over de oude benamingen van gronden en de herkomst er van.
    Mogelijk worden er wenkbrauwen gefronst bij de naam ´ten Doeselt´ in Schanker, terwijl deze naam nog van Frankische oorsprong zou kunnen zijn. Volgens een artikel van de Heemkundige Kring in het tijdschrift "De Spycker" uit 1954 kan het een "dominale" nederzetting zijn geweest met een "sala" als centrum. De samentrekking van beide woorden vormt ´Doeselt´. Dit was eertijds een agrarisch gebied gelegen langs de kleine Aa. De naam komt reeds voor in het Tongerlose cijnsboek uit 1362. In de volksmond wordt de weg naar Nieuwmoer nog wel eens naar de oude gehuchtnaam Schriek genoemd. Hoeve ´De kleine Schriek´ ligt vooraan op de Nieuwmoersesteenweg en ´Grote Schriek´ meer zuidwaarts. Het woord schriek wil zoveel zeggen als bocht in waterloop of weg. De Zevenzonenhoeve van de Bredestraat is dan weer een logisch gevolg van de geboorte van de zeven gebroeders Akkermans die er geboren zijn.
    Een bijzondere benaming is ´Grite Baers goed´ gelegen op Steenpaal. Hier zou een stuk grond ooit eigendom zijn geweest van een weduwe met de naam Margrite Baers.
    In het najaar zal het zo ver zijn dat bijna elke hoeve weer met naam kan genoemd worden.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 40.

    850 jaar en onze taal.

    In de huidige tijd van computer en de vele communicatiemogelijkheden wordt het alsmaar moeilijker om de eigen streektaal te bewaren. Omwille van werk of om andere redenen blijft de leefwereld meestal niet langer beperkt tot het eigen dorp. Er komen invloeden van elders waardoor het oude dialect vervlakt. Woorden die door onze ouders nog dagelijks werden uitgesproken zijn nu verdwenen of worden nog eens als rariteit op een familiefeestje naar boven gehaald. Dan spreken we nog maar over 50 jaar geleden.
    Hoe moeilijk, maar ook hoe boeiend, moet het dan niet zijn om teksten uit de middeleeuwen of uit de 12e eeuw, de beginperiode van Essen, te ontcijferen. In die stukken staan woorden die nu totaal niet meer te begrijpen zijn. De handgeschreven kronkels zijn nauwelijks te ontleden. Zo is het ook met het charter uit 1157 dat in het archief in Tongerlo wordt bewaard en waarin de benoeming van een pastoor voor de kerk van Nispen en Zundert wordt bekrachtigd. Of zoals met de overdrachttekst waarin te lezen staat dat Essen (Eschen) geschonken wordt aan de abdij van Tongerlo. In de historische stoet droegen de zingende paters, uitgebeeld door Cantores, een kopie hiervan mee.
    Belangrijke stukken werden in de 12e eeuw in het Latijn geschreven. Dit gebeurde meestal door de enige mensen die de kunst van het schrijven machtig waren, namelijk de kloosterlingen. Men keek ontzag op naar mensen die wijs raakten uit die krabbels en deze geduldig met een ganzenveer konden nabootsen. Eeuwenlang was deze kennis niet weggelegd voor de gewone sterveling. Toen in het begin van de 20e eeuw de algemene leerplicht er kwam waren er nog nauwelijks "ongeletterde" mensen die documenten ondertekenden met een kruisje.
    Zeer interessant zijn de notariële documenten die een boedelbeschrijving voor een verkoop van huisraad of een erfenis beschrijven. Deze geven een duidelijk beeld van hoe onze voorouders leefden en wat ze bezaten. Hieruit valt ook vaak af te lezen wanneer bepaalde producten zoals: peper, saffraan of aardappelen in onze gemeente zijn gekomen.
    Meer en meer verliezen we onze eigen taal en dus ook die van onze voorouders. Ook dat kan als erfgoed beschouwd worden.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 41.

    Film en foto’s.

    De historische stoet ligt al weer een maand achter ons. Inmiddels is alles zo goed als opgeruimd. De gehuurde kleding is teruggebracht en de vele eigengemaakte of gekregen kledingstukken hebben inmiddels een plaatsje gekregen in twee lokalen van het klooster van de zusters van Mariaberg. Tientallen sets mannen en vrouwenkleding staan ter beschikking van iedereen en kunnen ontleend worden via Maria Gommeren, tel: 03/667 20 10.
    Nog dagelijks praten mensen over 6 september waaruit blijkt dat de historische stoet iets heeft teweeg gebracht. Het gebeuren bracht ongeveer 1100 deelnemers en 12.000 kijkers op de been. Opmerkelijk zijn de uitspraken van de jonge mensen. Het evenement heeft hen aangesproken en met veel belangstelling hebben ze de geschiedenis van hun eigen dorp beleefd. Wie zegt nu nog dat er in Essen nooit iets gebeurt, of gebeurd is?
    Om ook aan de Essense kinderen iets mee te geven over hun eigen verleden is er een werkgroep bezig met het maken van een lespakket, een tijdslijn met de belangrijkste gebeurtenissen uit het verleden, een Essens ABC, een geschiedkundige wandeling op kinderniveau enz.
    Om nog vaak van de stoet te kunnen nagenieten is een becommentarieerde dvd gemaakt die goed is voor anderhalf uur kijk-en luisterplezier. Vanaf 15 oktober is hij te koop voor 15 euro bij Foto Vandekeybus, Nieuwstraat 45 in Essen. Tel: 03/667 53 85. Misschien is het een tip om deze dvd aan uw familie of kinderen te geven als kerstgeschenk.
    Dagbladhandel ’t Heuveltje, gelegen aan het Heuvelplein, heeft tijdens de optocht een prachtige serie foto’s gemaakt die eveneens te koop zijn voor 10 euro per stuk.
    In oktober 2007 is het idee om een stoet te maken geboren. Twee jaar later kan Essen terugkijken op een geslaagd en feestelijk evenement. De opzet was om iets te organiseren van, voor en door Essenaren. Missie volbracht, waarvoor dank aan iedereen die zijn steentje bijdroeg.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 42.

    Essen en zijn grenzen.

    In de middeleeuwen was er van landsgrenzen in onze streken geen sprake. De streek was nauwelijks bewoond en alle gronden behoorden tot een "Heer". Zolang niemand een bepaald stuk grond rechtmatig opeiste, was het door iedereen te gebruiken om gewassen te telen of het vee te laten grazen. Zo werd het gebied gelegen tussen het hedendaagse Spijker en Oude Baan gezien als gezamenlijke grond met de naam het "Akker".
    Grenspalen waren meestal van hout waardoor ze verrotten, verdwenen of vergeten werden. Of ze werden verplaatst wat vaak voor jarenlange onenigheid zorgde die uiteindelijk tot voor het gerecht werd beslecht. Dit gebeurde ondermeer bij de abdijen van Tongerlo en Huybergen.
    Daar kwam een einde aan toen in 1843, 13 jaar na de Belgische onafhankelijkheid, ons land eindelijk werd gemarkeerd met 369 gietijzeren grenspalen van 1,72 meter hoog, met bovenaan een top van 17 centimeter. Aan de ene kant staat de Nederlandse leeuw en de andere de Belgische.
    Essen is omringd door 13 grote grenspalen en 29 kleine stenen tussengrenspalen. Nog steeds worden ze jaarlijks door de burgemeesters van de omliggende gemeenten "geschouwd" zoals de wet het voorschrijft, zowel langs Nederlandse als Belgische kant.
    Een aantal van deze grenspalen hebben hun eigen verhaal. Zo is paal 246 jarenlang weg geweest en staat de huidige paal niet op de grens maar enkele meters op Belgisch gebied. Een kleine metalen cirkel in het beton van de weg markeert de echte plaats.
    Grenspaal 247 staat al jaren scheef en heeft twee kogelgaten afkomstig van een doodgeschoten smokkelaar in de Eerste Wereldoorlog.
    Grenspaal 241 is lange tijd zijn gietijzeren top kwijt geweest die na een omzwerving via Wouw na jaren weer is terecht gekomen.
    De beroemdste van onze Essense palen is waarschijnlijk de "strontpaal" op Horendonk, een tussenpaal gelegen tussen grenspaal 238 en 239. Hier werd in 1916 de smokkelaar Klaveren Vrouwke neergeschoten. Een K.V. en een kruis op de paal herinneren daar nog aan. Ook deze paal verdween jarenlang en werd vervangen door een nagemaakt exemplaar. Sinds 2006 staan er echter twee palen op die plaats, de echte en de nagemaakte.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 43.

    Essen en zijn parochies.

    In de tijd dat het gebied aan Tongerlo werden geschonken behoorde Essen tot de parochie Nispen, bestaande uit Essen, Kalmthout, Roosendaal en Nispen. Dit moet ongeveer 17 000 hectaren groot zijn geweest. De parochiekerk was waarschijnlijk niet meer dan een schamel gebouw van leem en met stro of riet gedekt. De parochianen waren uren onderweg om hun zondagplicht te vervullen, een kind te laten dopen, te trouwen of iemand te laten begraven. Een eerste afsplitsing kwam uit Roosendaal in 1266, en in 1338 kreeg een kapel in Kalmthout dooprechten omdat de tocht naar Essen in de winter te gevaarlijk was omwille van de ronddolende wolven.
    De parochiale situatie van Essen bleef eeuwenlang ongewijzigd. Na de 80 jarige oorlog en de daarop volgende Vrede van Munster in 1648 kwam er een scheiding met Nispen. De eerste eigen kerk op Essens grondgebied was een eenvoudige schuur op Steenpaal. Pas in 1729 kreeg ons dorp een stenen kerkje aan de grens met Nispen. Ook daarna bleef de toestand weerom lange tijd dezelfde.
    Op het einde van de 19e eeuw waren gehuchten als Horendonk en Wildert zo gegroeid dat er behoefte kwam aan een eigen kerk. Na jarenlange discussies met de moederkerk van Essen kwam er een aanvraag tot het bouwen van een kerk op Wildert. Deze werd ingediend in 1877, maar het duurde tot 1886 eer de wijding van het gebouw kon doorgaan. Horendonk kreeg toestemming in december 1898 en met Pasen 1899 werd er voor het eerst mis gedaan in een eigen houten kerk, die in 1904 vervangen werd door een stenen exemplaar.
    De kerk van Essen-Statie kwam er in 1905 als gevolg van de komst van de trein en daaraan gekoppeld de uitbreiding van de stationswijk.
    De jongste parochie is Heikant. Dit dorpsdeel is pas ontwikkeld in de jaren zestig en zeventig van de 20e eeuw als gevolg van nieuwe verkavelingen na de dood van Dhr. Calmayn, eigenaar van het domein Hemelrijk. Als parochie bestaat Essen-Hoek dit jaar 150 jaar, maar pas vanaf 1977 behoort het grondgebied volledig bij de gemeente Essen.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 44.

    Ter kerke gaan….

    Op zondag 8 november 2009 start de VVV opnieuw met een reeks van zes thematische winterwandelingen, en dit voor het zesde seizoen. De bedoeling is om de mensen op een luie, winterse zondag even uit hun stoel te krijgen voor wat beweging en tegelijk iets te laten ontdekken van de rijke geschiedenis van de streek. Of we daarin slagen valt af te leiden van het aantal wandelaars die komen opdagen. Het minimum aan deelnemers bedroeg vorig jaar 40 en het maximum was 266. Reden genoeg dus om er nog een jaartje mee verder te gaan.
    Aangezien de eerste twee wandelingen nog in het feestjaar van "Essen850 jaar" vallen is het logisch dat de verhalen daarbij aansluiten.
    Op zondagmiddag 8 november wordt er om 13.30u verzameld op de parking achter het gemeentehuis van Essen. Onder leiding van een gids gaan we opnieuw de route lopen die de pastoors en de gelovigen eeuwenlang hebben gebruikt om naar hun kerk in Nispen te gaan. Toen er na de 80-jarige oorlog in de 16e eeuw een scheiding kwam tussen Essen en de moederparochie werd op Steenpaal een houten gebouw, gelijkend op een schuur, opgetrokken. Dit moest dienst doen als noodkerk tot de noordelijke situatie met het opgelegde protestantisme weer was opgeklaard. De schuurkerk werd gebruikt van 1640 tot 1671. Ondergedoken priesters moesten er hun werk illegaal doen. Dopen, trouwen, begrafenissen, biecht horen, de mis lezen…. Het was allemaal verboden in die periode.
    Aangezien deze toestand langer duurde dan verwacht kreeg Essen uiteindelijk een eigen kerk aan de grens met Nispen om zo ook de katholieke Nispenaren de kans te geven deze te bezoeken.
    Al die tijd bleef de pastoor in de pastorij wonen, gelegen aan de Essendonk. Deze was toen viermaal zo groot dan wat er nu nog overgebleven is, met ondermeer een huiskapel waar plaats was voor 130 mensen. Volgende wandeling is op zondag 13 december om 13.30u.

    M.G
    De Echo 850 jaar Essen 45.

    Vrijdag de 13e…

    Een dag vol van bijgeloof….tenminste dat wordt toch beweerd. Hoewel de statistieken zeggen dat ongeveer een kwart van de bevolking rekening houdt met deze ongewone dag zijn er nauwelijks mensen die dat durven toegeven.
    Er worden onder meer minder contracten afgesloten, minder beleggingen gedaan op de bank, minder getrouwd, maar wel meer aan kansspelen gedaan.
    Voor VVV De Tasberg is het telkens weer een gelegenheid om een wandeling te organiseren met net iets meer. Deze "Vrijdag de 13e" van november is de tiende editie. Allerlei onderwerpen zijn reeds aan bod gekomen, zoals: heksen en bijgeloof, de bokkenrijders en tempeliers, de zomerse feestdagen, de winterse feestdagen, hallo België, de Kelten, verboden eten, smokkelen enz.
    Het aantal deelnemers varieerde in het verleden tussen de 65 en 214 per wandeling. De formule blijft ook dit jaar onveranderd. Bijeenkomst is op Horendonk bij Jan Uytdewilligen, Kraaienberg 77 om 19.30u. Daarna volgt een kleine wandeling met verhalen rond een het gekozen thema. In "Van Samhain en Sint Maarten" komen de tradities en gebruiken van onze en andere culturen aan bod op de grens tussen herfst en winter.
    Ook de Eerste Wereldoorlog en de wapenstilstand van 11 november 1918 krijgt de nodige aandacht tijdens en na de wandeling.
    Na de wandeling volgt een typerend hapje en drankje. Om in de sfeer te blijven brengt de toneelgroep Scilla uit Schilde enkele zeer ludieke stukjes uit de oorlogstijd. Deze groep mocht twee jaar geleden op een zeer enthousiast publiek rekenen.
    Wilt u ook graag meedoen en een onvergetelijke avond beleven? Inschrijven kan tot 8 november op VVV De Tasberg. Moerkantsebaan 52 in Essen. Tel: 03/677 19 91.
    Deelnemen kost 6 euro per persoon, hapje en één drankje inbegrepen.

    M.G
    De Echo 850 jaar Essen 46.

    Werk en ontspanning.

    Het leven van de doorsnee Essenaar bestond eeuwenlang bijna uitsluitend uit werken om te overleven. Enkel zondag was een rustdag, de dag des Heren. Dat hield in dat er naar de kerk moest gegaan worden: om 6u de vroegmis, om 10u de hoogmis en in de namiddag het lof.
    De boerenbevolking zorgde tussendoor voor het melken, voeren en verzorgen van de dieren. Voor echte ontspanning was nauwelijks tijd en nog veel minder geld.
    In de zomermaanden werd er op zondagavond langs de velden gekuierd om de gewassen te bekijken of om met de buren een praatje te maken. In de winter legde men een kaartje in de keuken bij de dampende Leuvense stoof of open haard.
    Zeer welkom waren dus de 35 extra kerkelijke feestdagen die er tot in de 18e eeuw nog waren. In 1751 werden ze verminderd tot 20 en Napoleon herleidde ze tot 4 per jaar.
    Op zondag werd er iets meer aandacht besteed aan de kleding en het uiterlijk. Mannen lieten zich op zaterdagavond in het dorp scheren om er in hun beste pak, of in hun boerenkiel met faas op piekfijn uit te zien om naar de kerk te gaan.
    Vrouwen droegen hun kapmantel, of gekleurde Kempische sjaal met trekmuts of spaanhoed. Op zon - en feestdagen kwamen de gouden juwelen buiten. Deze waren vaak van moeder op dochter geërfd en werden enkel gedragen op hoogdagen.
    Na de hoogmis werden aan de kerkdeur de noodzakelijke mededelingen gedaan, of de laatste dorpsnieuwtjes verteld. De boerin ging bij de kruidenier wat schaarse inkopen doen onder het genot van een kopje koffie, en de boer dronk zijn borreltje terwijl hij wachtte. Al naargelang zijn geldbeugel het toeliet was dat een dikkop of een halfje. Daarna ging de hele familie met paard en kar, sjees of tilbury weer naar huis. Op zondagnamiddag waren er soms wedstrijden van de plaatselijke schutterijgilden, in de nabijheid van een herberg die voor de nodige drank zorgde. De vrouwen brachten hun schaarse vrije uren door al buurtend met familie of buren.
    Maanden vooraf werd er uitgekeken naar de jaarlijkse kermis, of een bruiloft. Daar werd graag een werkdag aan opgeofferd.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 47.

    De goeie ouwe tijd....

    Is dat inderdaad nog maar 50 jaar geleden dat we Essen 800 jaar hebben gevierd? En hoe zag het dagelijkse leven er toen uit?
    Er werd gewerkt in de zesdagenweek en op zaterdagvoormiddag gingen de kinderen nog naar school. Zondag was steevast rustdag en kerkdag.
    In arbeidersgezinnen ging vader uit werken en deed moeder het huishouden, een fulltime bezigheid. Lang niet iedereen bezat een wasmachine. Ook een badkamer was niet vanzelfsprekend. Op zaterdagavond werd de zinken teil werd bovengehaald waar alle kinderen om de beurt in gingen. De was werd geweekt, afgekookt en op maandagmorgen begon de schrobbeurt. Wassen, op de bleek leggen om het linnen witter te maken, spoelen, door de wringer draaien, eventueel stijven en drogen. Strijken gebeurde met de ijzeren boutjes die op de kachel werden verwarmd en steeds of te heet of te koud waren.
    In november werd bij de boeren een varken geslacht om een vleesvoorraad aan te leggen. Er ging niets verloren van het beest en het beste stukje ging naar de pastoor of onderwijzer. Voor wat hoort wat….
    De grote delen als hespen, rugstuk, het spek, de poten enz… werden voor zes weken gepekeld in de kuip. Daarna gingen de hammen de rookschouw in om gedroogd te worden. Het verse vlees werd verwerkt ondermeer tot worsten en daarna geweckt of eveneens gedroogd. Het was heerlijk smullen van de verse lever, de hersenen, de nieren, oren en poten of de bloedworst.
    Van de haren werden penselen gemaakt of ze werden gebruikt in de pekdraad die de lederbewerker hanteerde om zijn schoenen of het paardentuig te naaien.
    Zeer gegeerd was de varkensblaas. Wie ze wilde hebben moest zichzelf bewijzen en zijn neus in het achterste van het dode varken steken. De winnaar was een held. De blaas werd vol lucht gepompt en gedroogd om later als voetbal gebruikt te worden. Ze kon ook dienen als tabak - of kruidenzak, als rommelpot, lampenkap, trom, of ijszak.
    Volgens K.C.Peeters is "de blazen" de bijnaam van de Essenaren en komt deze nog uit de tijd dat er moest geloot worden om in het leger te gaan. De lotelingen namen de met water gevulde varkensblazen mee voor onderweg en ze werden eveneens als slagvoorwerp gebruikt bij caféruzies op weg van of naar de loting die plaatsvond in Wuustwezel.
    Wie spreekt nog van "die goeie ouwe tijd"? Zonder telefoon, diepvriezer, televisie, voor iedereen een auto, computer, studiemogelijkheid, pensioenen, vakantie enz …

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 48.

    Wintertijd.

    Thuis zijn, gezellig bij het warme vuur met een goeie film, kaarsje aan, een lekker drankje of hapje bij de hand… Dat is het beeld dat we graag ophangen van een winteravond.
    Hoe anders was het een eeuw geleden nog. De avonden waren lang en koud. Enkel een kacheltje of het open vuur in de keuken zorgde voor wat warmte. Er werd zo lang mogelijk gewacht om een kaars of de petroleumlamp aan te steken, en men ging zo vroeg mogelijk naar bed om vuur en licht te sparen.
    Eens de dagelijkse arbeid gedaan was zat het hele gezin samen en werd het avondmaal genomen. Bij boerenmensen en arbeidersgezinnen bestond dit uit brood of de overschot van de aardappelen van ’s middags en een bord pap. Daarna klonk er gedurende minstens een kwartier het monotone geluid van een gebed of het rozenhoedje, gevolgd door de litanie van alle heiligen. Dan kon de avond pas beginnen. Moeder en de grotere meisjes hielden zich bezig met het breien van sokken of met verstelwerk, met het pellen en uitsorteren van de gedroogde bonen, of andere huishoudelijke klusjes. Een bekende uitdrukking uit die tijd is "een vrouwenhand en een paardentand mogen nooit stil staan". Vader maakte een nieuwe mand of een bezem, zette een andere steel in de oude, poetste het paardentuig, of viel in slaap van vermoeidheid door het harde werken in de koude buitenlucht.
    De kinderen speelden met niets. Een blokje, een touwtje en wat fantasie waren voldoende om zich bezig te houden. Op een lei en met de griffel werd er geoefend wat er die dag op school geleerd was, de eenvoudige dingen als leren lezen, schrijven en rekenen.
    Spannend werd het als er iemand op bezoek kwam. Er werd op de deur geklopt en gevraagd "wie is daar"? Als het antwoord "goei volk" was werd er open gedaan en mocht de bezoeker zich warmen aan het vuur. Verhalen of nieuwsjes waren meer dan welkom om de sleur te breken. Zo ontstonden er vaak legenden die generaties lang werden doorgegeven en deel gingen uitmaken van onze oude tradities.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 49.

    December feestmaand.

    Doorheen de geschiedenis van onze voorouders is feesten een belangrijk onderdeel geweest binnen de leefgemeenschap. Samen werken en samen feesten hield hen bij mekaar. Hoe anders was dit eeuwen geleden dan nu. Geen overvloed aan decadente gerechten en de beste wijnen, of problemen bij het kiezen van de gepaste geschenken. Zo’n eeuw geleden was op het platteland worst met rode kool en aardappelen een bruiloftsmaaltijd.
    In december was de voedselvoorraad op zijn grootste. Het varken was geslacht, groenten gezouten en fruit ingemaakt of gedroogd. Bij de stroper kon je soms een konijn vinden in ruil voor andere producten, diensten of geld. Geen haan kraaide er naar.
    Moeders leerden hun dochters koken, zonder weegschalen of kookboeken. De hoeveelheden werden niet afgemeten maar gebruikt naar smaak en gevoel.
    De burgerij had het wat ruimer dan de boeren of de arbeiders en hielden er vaak een keukenhulp op na. Zij kenden tafelmanieren al stonden die mijlenver van onze huidige gewoonten vandaan. In de middeleeuwen was niet ongewoon om met de handen te eten, een teken dat men een proper mens was en dus niet vies van zichzelf. Het tafellaken werd tevens als servet gebruikt om mond en handen aan af te vegen. Vlees was het hoofdingrediënt van de maaltijd, aangevuld met groenten, fruit en brood. Dit laatste diende eerder om de sappen van het vlees op te vangen dan om de maag te vullen en werd na afloop van de maaltijd vaak aan de rondlopende honden gegeven.
    Eten was en is nog steeds een vorm van cultuurbeleving, eigen aan een volk. Bij Joden en Indiërs hing dit ook vroeger reeds samen met strenge hygiënische regels en voorschriften. Elders ging het er minder beschaafd aan toe en ging een veroordeelde zich te buiten bij het galgenmaal, of deed men aan kannibalisme. Hoe dan ook, eten houdt mensen samen, in alle rangen en alle culturen. December staat bol van gelegenheden om dit te doen.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 50.

    Honderd en één heiligen.

    De invloed van de abdij van Tongerlo was in het verleden groot. De kloosterlingen bepaalden het doen en laten van de dorpelingen. Het geloof en de religieuze beleving daarvan stond bovenaan op het plichtenlijstje. Het dagelijkse leven zat vol onheil en men meende dat het geen kwaad kon om op een goed blaadje te staan bij de heiligen die over hen waakten. Bij een geboorte werd er vaak uit de grote voorraad heiligennamen geput.
    Elkeen had zijn eigen specialiteit. Zo was er Antonius van Padua, een Franciscaner afkomstig uit Lissabon die in Italië leefde in de 12e en 13e eeuw. Hij werd aanroepen om verloren voorwerpen terug te vinden, en zolang dat niet gebeurde, werd zijn beeldje met het aangezicht naar de muur gezet. Sint-Catharina werd in de kerk van Horendonk aanroepen bij sommige huidaandoeningen, ook wel het “Sint Catherinewiel” genoemd. Ze stond er in gezelschap van de heilige Cornelius die verantwoordelijk was voor het hoornvee, en hulp bood bij epileptische aanvallen.
    Donatus leefde in de 4e eeuw en zijn beeld stond ter verering in de kerk van Nispen. Hij kreeg regelmatig angstige dorpelingen op bezoek die bij onweer om bescherming vroegen.
    Bij tandpijn werd er een bezoek gebracht aan de heilige Appolonia op Nieuwmoer. Een rood draadje was het aandenken of bewijs dat men er echt naartoe was geweest. Het werd zorgvuldig in het missaal bewaard. Ook de heilige Lucia had er haar plaatsje en werd aanroepen bij oogziekten.
    Naast al deze plaatselijke vereringen waren er nog tal van heiligen die als beschermers werden gezien, zowel van bepaalde beroepen als gebeurtenissen zoals: Sin-Elooi, Sint-Sebastiaan, heilige Franciscus, Christoffel, Isidoor, Blasius, Rochus of Hubertus. En niet te vergeten, de heilige Rita, de patrones van de hopeloze gevallen.
    Bij het tweede Vaticaans concilie in de jaren zestig van de vorige eeuw is er flink gesnoeid in deze vaak volkse manier van steun zoeken.
    Sinds kort hebben we een nieuwe heilige vriend namelijk pater Damiaan.
    Deze figuren gaan blijkbaar ook met hun tijd mee. Zo is sinds 2003 Isidoor de patroonheilige van de computer en internet.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 51.

    Nostalgische kerst.

    Zou het echt waar zijn dat de winters vroeger kouder waren en er meer sneeuw viel? In onze herinneringen is dat zo, maar volgens de statistieken niet. Een witte kerst komt maar eens in de twintig jaar voor. Terwijl kerstmis voor ons het feest van het licht is, was dit voor onze voorouders het feest van de duisternis. De zon stond op het laagste punt en het was wachten op de terugkeer van het licht. Pas begin januari was men daar zeker van. Daarom werden deze donkere dagen ook “dertiendagen” genoemd, joelfeest of de midwinterwende.
    Ondanks de religieuze invloed bleven de mensen hun oude feesten vieren. De kerk heeft ze overgenomen en andere benamingen gegeven. Nog steeds zijn er oude gebruiken overeind gebleven. Zo eten we de “kerststronk”, een gebak in de vorm van een stuk hout. Een houtblok werd vroeger in de haard verbrand op de donkerste avond en de as over de velden gestrooid om de gronden te reinigen en vruchtbaar te maken.
    Voor de vierde keer wil het “Karrenmuseum Essen vzw” Moerkantsebaan 48 in Essen de oude kerstsfeer laten herleven op zondag 20 december tussen 11 en 17u. Je kan je warmen bij het open vuur terwijl je geniet van een glaasje warme wijn, jenever, chocomelk of een smoutebol. Intussen worden de oude huislijke ambachten getoond als: wol spinnen, breien, manden vlechten, bezem binden en nog meer winterwerkjes.
    Enkele schapen en de ezel mogen niet ontbreken op deze winterse activiteit.
    Aan kinderen wordt geleerd hoe echte rommelpotten met varkensblazen worden gemaakt om te gebruiken voor het traditionele oudejaarzingen.
    Terwijl Jozef en Maria waken bij hun kind spelen onze huismuzikanten oude muziek. Op zaterdag 19 en zondag 20 december is er tussen 11 en 17u in het Koetshuis van het museum, in samenwerking met de Heemkundige Kring, een tentoonstelling van oude nieuwjaarsbrieven, kerstkaarten en allerhande gebruiken rond deze tijd van het jaar.
    Ook de prachtige maquette van de oude kerk van de parochie Sint-Pieter Essen Hoek zal worden tentoongesteld. Deze parochie vierde in 2009 zijn 150 jaar bestaan en heeft een feestelijk jaar achter de rug.

    M.G.
    De Echo 850 jaar Essen 52.

    Einde……

    Een oude Kempische traditie die nog steeds overeind is gebleven, is het nieuwjaarzingen op 31 december. Net zoals nu trokken de kinderen vroeg op pad met hun liedjes en wensen. Ze hoopten op veel geld of snoep. Mensen die hun deur niet open maakten of niets gaven werden getrakteerd op een passend spotlied. Hoog huis, laag huis…
    Zodra het duister werd was het de beurt aan de grotere kinderen of aan de arme mensen die met hun rommelpot, klepper, trekzak of bel op hun beurt de mensen een goed jaar toewensten. Soms werden ’s avonds de etensresten op de vensterbank gezet zodat minder gegoeden het zouden kunnen opeten zonder gezien te worden. Dit werd het "Godsdeel" genoemd wat in oude liedjes nog bezongen wordt. Het werd gezien als een plicht voor de christenmens om aalmoezen te geven.
    Doorheen het jaar predikte de pastoor meermaals tegen de gulzigheid en het drankgebruik, maar bij de wisseling van het jaar werd daar nauwelijks rekening mee gehouden. Maanden vooraf keken de mensen er naar uit om het oude jaar achter te laten en leefden ze in de hoop dat het nieuwe enkel zegeningen zou brengen. Om het kwade te verdrijven en de geesten af te schrikken werd er om middernacht lawaai gemaakt door met een pollepel op potdeksels te slaan of met buskruit te schieten. Dit oude gebruik is nu overgenomen door het afsteken van vuurwerk. Ook het wakker blijven tot na middernacht was oorspronkelijk bedoeld om te waken tot men veilig in het nieuwe jaar was aangekomen.
    Op nieuwjaarsdag komen de kinderen met hun, al dan niet voorgekauwde, wensen aan de ouders, grootouders, peters en meters, weerom in ruil voor geld of snoep.
    Er is in de loop van een jaar geen enkel moment dat er zoveel goede voornemens worden gemaakt dan op 1 januari.
    Het feestjaar van "850 jaar Essen" is voorbij. Enkel de herinneringen via de vele foto’s op de website, of de stoet-dvd worden bewaard. De balans kan opgemaakt worden en vol hoop uitgekeken worden naar 2010. Moge het voor u allen een gezond en gelukkig jaar worden.

    M.G.
    Voetnoot van de redactie: We zijn heel blij dat Maria op de site van hoek.be haar wekelijkse inzendingen heeft willen plaatsen. Als gemeenschap van de Hoek willen we dan ook Maria bedanken voor haar inzet in het 850 jaar gebeuren en voor de inspirerende aanwezigheid bij de stoet bijeenkomsten.


    Pagina reeds : 7134 keer bezocht

    Gemaakt en gesponsord door Whoosh.be © 2017